Door Sanne van Rijswijk
Nooduitgangen bij een evenement? Daarmee trappen we een open deur in, zou je denken. Toch is de vraag hoeveel je er nodig hebt minder eenvoudig dan hij lijkt. Het antwoord hangt af van het aantal bezoekers, de beschikbare ontruimingstijd, de breedte van de uitgangen en de inrichting van het evenement.
Hoeveel bezoekers komen er?
Het verwachte aantal bezoekers is een belangrijk startpunt om te bepalen hoeveel uitgangen je nodig hebt. Daarbij maakt het uit waar je evenement plaatsvindt. Voor een open evenemententerrein of tent gelden als minimumeis een aantal regels uit het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop). Vindt het evenement plaats in een gebouw? Dan zijn de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing.
Volgens het Besluit Bgbop heeft een verblijfsruimte of gebied waar meer dan 225 personen aanwezig zijn minimaal twee nooduitgangen nodig. Deze nooduitgangen moeten minstens vijf meter uit elkaar liggen. Zo voorkom je dat één incident beide uitgangen tegelijkertijd onbruikbaar maakt. Denk bijvoorbeeld aan een brand of een andere blokkade waardoor bezoekers een uitgang niet meer kunnen bereiken.
In het Bbl wordt per ruimte gekeken naar het aantal personen. Voor bestaande gebouwen geldt eveneens een grens van 225 personen. Bij nieuwbouw ligt die grens lager, namelijk bij meer dan 150 personen. De nooduitgangen hoeven niet per se aparte doorgangen te zijn. Ook reguliere uitgangen kunnen meetellen als nooduitgang, zolang ze onderdeel zijn van een vluchtroute en als zodanig zijn aangeduid met de bekende bordjes. De wettelijke vereisten maken daarmee alleen duidelijk dat er minimaal twee nooduitgangen moeten zijn. Of twee volstaat hangt af van de breedte van de uitgangen, de beschikbare ontruimingstijd en het aantal mensen dat in nood van deze uitgangen gebruik moet maken.
Hoe breed moeten de uitgangen zijn?
Niet alleen het aantal uitgangen telt, maar ook de breedte ervan. Het Besluit Bgbop en het Bbl stellen wettelijke normen voor de doorstroomcapaciteit: het aantal personen dat per minuut door een doorgang kan. Deze capaciteit moet voldoende zijn voor alle personen die op die vluchtroute zijn aangewezen.
Hoeveel mensen er volgens deze wettelijke normen door een uitgang kunnen, hangt af van het soort doorgang. Een deur remt bezoekers af, omdat de deur zelf deels in de weg staat. Bij een dubbele deur (twee deuren naast elkaar die naar buiten toe open draaien) is de wettelijke norm daarom 90 personen per minuut per meter breedte, en bij een enkele deur 110 personen. Moet er worden gevlucht door een ruimte zoals een gang, dan geldt de norm van 90 personen per minuut per meter breedte. Voor een open doorgang zonder enige beperking door deuren of zijwanden geldt een wettelijke norm van 135 personen per minuut per meter breedte.
Daarnaast stelt het Besluit Bgbop minimale afmetingen. Elke doorgang in een vluchtroute is minstens 0,50 meter breed en twee meter hoog. Ten minste één doorgang in iedere vluchtroute moet 0,85 meter breed zijn. Op die manier kan ook een persoon met een rolstoel of rollator gebruik maken van een doorgang.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Waarom wij strenger rekenen
De doorstroomwaarden uit het Besluit Bgbop zijn een wettelijk minimum. Ze zijn gebaseerd op onderzoek onder ideale omstandigheden. Denk aan een goed verlichte, gelijkvloerse omgeving met fitte en nuchtere mensen. Op een evenement ziet de praktijk er vaak anders uit. Het kan er donker, druk en rommelig zijn. Bovendien zijn sommige bezoekers onder invloed of minder zelfredzaam, bijvoorbeeld door hun leeftijd.
Bij het opstellen van een ontruimingsanalyse rekenen wij daarom met een strengere norm uit de NEN-EN 13200 van 82 personen per minuut per meter. Deze norm is gebaseerd op de Britse normen uit de Purple Guide en de Green Guide. Daarnaast houden we een veiligheidsmarge van 20 procent aan (ook dit is een Britse richtlijn). Een uitgang kan namelijk gedeeltelijk geblokkeerd raken of minder goed bruikbaar zijn dan gepland. We gaan er daarom van uit dat in de praktijk maar 80 procent van de theoretische capaciteit beschikbaar is en plannen daar de benodigde capaciteit op.
Van ontruimingstijd naar aantal uitgangen
Hoelang een ontruiming mag duren, hangt af van de situatie. Het Besluit Bgbop bevat zelf geen tijdsnorm voor vluchten. Wel verwijst het naar de NEN 8020-41 voor festivaltenten. Volgens die norm moeten bezoekers een festivaltent binnen één minuut kunnen verlaten. Voor een open evenemententerrein beveelt de norm NEN-EN 13200-7 een ontruimingstijd van maximaal acht minuten aan, een tijd die geldt om vanuit het bedreigde gedeelte van de evenementenlocatie een veilige plaats te bereiken. Bij verhoogde risico’s, zoals open vuur of minder zelfredzame bezoekers, kan een kortere tijd nodig zijn.
Wij nemen acht minuten voor buitenevenementen vaak als uitgangspunt voor een deelontruiming, maar er zijn meer richtlijnen beschikbaar. De Britse richtlijnen geven aan dat ook moet worden gekeken naar drukte, zelfredzaamheid van publiek en brandgevaar. Deze factoren kunnen leiden tot een tijdsnorm van 1, 2, 4, 8 of meer dan 10 minuten.
Met de beschikbare ontruimingstijd kun je terugrekenen hoeveel uitgangsbreedte nodig is. Een evenement met 1.000 bezoekers in een tent heeft volgens deze berekening ongeveer vijftien meter uitgangsbreedte nodig. Daarin is de veiligheidsmarge van 20 procent al meegenomen. Op een open evenemententerrein waar een ontruimingstijd van acht minuten wordt gehanteerd, is voor 1.000 bezoekers ongeveer twee meter aan nooduitgangen in principe al voldoende. Hetzelfde aantal bezoekers kan dus om een heel andere uitgangsbreedte vragen, en daarmee om een heel ander aantal uitgangen. Uiteraard zal ook moeten worden bekeken hoe snel bezoekers het terrein willen kunnen verlaten. Als er een sterke competitieve drang wordt verwacht waardoor veel druk op de uitgang kan komen te staan is dit ook al reden om meer uitgangen te creëren.
De inrichting maakt het verschil
Een berekening op papier zegt nog niets als de uitgangen in de praktijk niet goed bruikbaar zijn. Een podium, bar, foodtruck of hekwerk kan een looproute versmallen of een uitgang deels blokkeren. Kijk daarom niet alleen naar de uitgangen zelf, maar ook naar de route ernaartoe. Volgens het Besluit Bgbop moeten bezoekers vanaf elke plek in een verblijfsruimte (zoals de tent) binnen zestig meter lopen buiten kunnen zijn. Het gaat daarbij om de werkelijke looproute, dus inclusief de omwegen rond podia, bars en tafels.
Let ook op de verdeling van de uitgangen. Bezoekers kiezen bij een ontruiming vaak de route die ze kennen, meestal de ingang. Liggen de nooduitgangen uit het zicht, dan worden ze minder gebruikt dan je had berekend. Spreid de uitgangen daarom goed over de ruimte en zorg dat ze goed zichtbaar zijn (wordt het donker dan is het ook vereist dat de bordjes verlicht zijn).
Geen open deur
Hoeveel nooduitgangen een evenement nodig heeft, is dus allesbehalve een open deur. Als vuistregel kun je starten bij het aantal bezoekers dat je verwacht. Reken met de ontruimingstijd en de doorstroomcapaciteit terug naar de benodigde uitgangsbreedte. Liggen de uitgangen al vast, dan werkt het andersom en bepaal je hoeveel bezoekers er maximaal veilig naar buiten kunnen. In beide gevallen tellen ook de inrichting en de omstandigheden op het evenement zelf mee.
Zo’n vuistregel helpt op weg, maar ieder evenement vraagt om maatwerk. Bovendien kunnen gemeente en brandweer aanvullende eisen stellen of soms met eigen normen rekenen. Betrek hen daarom op tijd en laat bij twijfel een ontruimingsanalyse maken. Zo weet je zeker dat je uitgangen niet alleen op de plattegrond, maar ook in de praktijk volstaan.